Participatie bij het planproces: verplicht, maar vooral onmisbaar
Als gemeente werk je samen met bewoners, woningcorporaties en netbeheerders aan de warmtetransitie. De Omgevingswet stelt eisen aan die samenwerking, maar participatie is meer dan een juridische verplichting. Het is een randvoorwaarde om plannen uitvoerbaar te maken. Sarah Ros (adviseur omgevingswet en coördinator participatie VNG) en Danielle Driessen (participatie- en communicatieadviseur NPLW) delen hun ervaringen uit de praktijk: wat werkt, wat niet en wat kunnen projectleiders daarvan leren?
Wat moeten gemeenten doen aan participatie?
Participatie is verplicht bij het schrijven van het warmteprogramma en het uitvoeringsplan (als vrijwillig programma). Ook als je een omgevingsplan opstelt of wijzigt, moet je aan participatie doen. Sarah: “Juridisch moet het, en procesmatig heb je het nodig. Bewoners moeten zelf iets doen in hun woning. Dan moet je weten wat er speelt achter de voordeur en wat bewoners nodig hebben om mee te willen doen.”
Alleen als je bewoners betrekt, krijg je de warmtetransitie voor elkaar. En volgens Danielle is alleen betrekken niet genoeg. “Je moet bewoners een concreet en redelijk aanbod doen, zeker bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Om te weten of het aanbod aantrekkelijk is, ga je met ze in gesprek. Bij isolatie gaat dat bijvoorbeeld over drempels: weten bewoners subsidies te vinden, willen ze starten of moet je gedragsveranderingstechnieken inzetten om bewoners te motiveren? Participatie geeft deze inzichten.” Er is ook een toets beschikbaar om te beoordelen of het aanbod realistisch is voor bewoners: de doenvermogentoets.
Betere plannen door lokale kennis
Danielle hoort van communicatie- en participatieadviseurs vaak dat zij de opdracht krijgen om draagvlak te creëren: “Maar daar is participatie niet voor. Het doel is een beter plan, dat aansluit bij wat er in de wijk nodig is. En betrokkenheid bij de uitvoering is ook mooi meegenomen.”
Sarah: “Participatie is bedoeld om informatie op te halen die je niet uit data of beleid haalt. Denk aan kennis van bewoners over hun woning, de wijk of wat er lokaal speelt. Door bewoners vroeg te betrekken, voorkom je verrassingen later in het proces.”
Gesprekken met bewoners maken de plannen concreter. Danielle: “Daarbij komen ook de lokale bijzonderheden naar boven: woningen die anders zijn, praktische bezwaren, andere plannen in de wijk of bewonersinitiatieven die een bijdrage willen leveren. Zonder participatie ontdek je dat vaak pas te laat.”
Participatie bij een uitvoeringsplan
Veel gemeenten gaan pas de wijk in als het plan al af is. Volgens Sarah begin je dan te laat. “Ga met vragen naar bewoners, niet met oplossingen. Vraag waarover ze willen meedenken en hoe ze betrokken willen worden. En wees eerlijk over wat wel en niet kan. Een wijkuitvoeringsplan kost zo’n 2 jaar. Wekelijkse bijeenkomsten zijn niet realistisch.”
“Bewoners die op een informatieavond aangeven mee te willen denken zijn vaak de usual suspects. Daarom is het belangrijk om van tevoren de wijk goed in beeld te brengen, bijvoorbeeld via een enquête of sleutelfiguren of door actief de wijk in te gaan. Zo zie je wie je bereikt: vooral koplopers, klimaatontkenners, of juist de middengroep die er niet mee bezig is. En die moet je hebben: de middengroep maakt het plan genuanceerder.” Danielle adviseert daarom om vooraf de tijd te nemen voor een strategische aanpak die past bij de doelen en mijlpalen van de wijk.
Tips voor doeltreffende participatie
Focus op het doel en de gevolgen, niet op het proces
Sarah: “Bewoners hebben weinig aan plan- en procedurenamen, zoals ‘warmteprogramma’. Leg uit wat je wil doen: wij willen uitzoeken welke wijken we van het aardgas willen halen. Je breekt in op leefwereld van de bewoner. Wat betekent aardgasvrij worden voor de bewoner? Focus je op het doel en de gevolgen van het beleid, maar niet op de naam van het plan zelf.”
Stem projecten op elkaar af
Tot 2032 nemen gemeenten steeds concretere besluiten voor de warmtetransitie. Danielle: “Kijk daarom per wijk welke projecten en plannen eraan komen en stem de participatie daarop af. Zo voorkom je participatiemoeheid en versnippering.”
Leg vast wat je ophaalt en wat ermee doet
Bij participatie in het planproces moet je voldoen aan de motiveringsplicht van de Omgevingswet. Sarah: “De bestuurders die het vaststellingsbesluit nemen, moeten weten wat er is gedaan aan participatie, wat er is opgehaald en hoe deze input is verwerkt. De bewoner moet dit ook terug kunnen lezen. Dan ben je transparant.”
Koppel bevindingen altijd terug
Danielle: “Gemeenten die het goed doen, sluiten het proces af met een terugkoppeling aan bewoners. Dat kan schriftelijk, maar een toelichting tijdens een fysieke bijeenkomst is nog beter. Dat versterkt het vertrouwen en bereidheid om mee te blijven doen.”
Gebruik één duidelijke afzender
Bij participatie heb je ook communicatie nodig. Danielle: “Je werkt met allerlei organisaties samen. Je kunt communiceren met een gezamenlijk logo en slogan. Dan maakt het niet uit wie het stuurt, zo vertel je één duidelijk verhaal.”
Wat vraagt dit van gemeenten?
Goede participatie vraagt capaciteit en vaardigheden. Danielle: “Denk in de uitvoeringsagenda na over tijd, middelen en competenties. Gespreksvaardigheden zijn cruciaal: luisteren, doorvragen en sensitiviteit. Daar moet (meer) aandacht voor zijn. Werk aan deze vaardigheden. Je hoeft niet alles van de inhoud te weten, maar je moet wel sensitief zijn. Zo kun je van iets wat een bewoner aangeeft een quick win maken.”
Meer weten of ervaringen delen?
Meld je aan voor de leerkring communicatie en participatie. De leerkringbijeenkomsten zijn in maart en april.
Contact
- Danielle Driessen, danielle.driessen@nplw.nl