Toegankelijkheidslinks Ga naar de hoofdinhoud
NPLW Logo. Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
Helpdesk

Stappenplan ontwikkelen warmtenetten

Ben je bezig met het ontwikkelen van een warmtenet? Met de nieuwe wetgeving veranderen rollen en verhoudingen tussen gemeente en warmtebedrijf. Hoe zet je als gemeente het planproces van de Wcw in? Wie is wanneer aan zet en vanuit welke rol? Met onderstaand stappenplan helpen we je om stap voor stap je warmtenet vorm te geven.

Let op: het organiseren van het participatieproces is geen onderdeel van dit stappenplan. Kijk daarvoor naar de bouwstenen voor communicatie en participatie op Aanbod doen aan bewoners.

Klik op een onderdeel in het stappenplan voor toelichting.

Afbeelding met pins Spoor 1: Planproces gemeente (wettelijke rol) Warmteprogramma vaststellen Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: warmtetransitiegebied aanwijzen in het warmteprogramma Kavelstrategie opstellen Vaststellen warmtekavel Aanvraag beoordelen globaal kavelplan Aanwijzen warmtebedrijf Verzoek tot opstellen uitgewerkt kavelplan Beoordelen uitgewerkt kavelplan Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: wijkuitvoeringsplan actualiseren Vaststellen uitgewerkt kavelplan Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: vergewisplicht Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: omgevingsplanwijziging voor warmtetransitiegebied Zienswijze indienen op investeringsplan Toetsen op naleving uitgewerkt kavelplan Zienswijze indienen op bijgewerkt investeringsplan Spoor 2: Gemeente in de faciliterende rol Haalbaarheidsonderzoek warmtenet Inventarisatie warmtebedrijven Ondersteuning bij opstellen globaal kavelplan Vastleggen overige afspraken tussen gemeente en warmtebedrijf Begeleiding en ondersteuning warmtebedrijf bij uitwerken schetsontwerp en voorlopig ontwerp Begeleiding en ondersteuning warmtebedrijf tijdens realisatie Spoor 3: Ontwikkelproces warmtebedrijf Ontwikkelstrategie opstellen Inventarisatie bronnen & afnemers Projectdefinitie Voornemen tot inschrijving kenbaar maken Globaal kavelplan opstellen ACM-bekwaamheidstoets Aanvraag indienen voor aanwijzing op warmtekavel Samenwerkingsovereenkomst met ketenpartners zoals bronnen en afnemers Conditioneringsonderzoek Uitgewerkt kavelplan opstellen Indienen uitgewerkt kavelplan Bij inzetten aanwijsbevoegdheid door gemeente: inventarisatie opt-out voor particulieren Voorbereiding van en nemen van final investment decision (FID) Uitwerken definitief ontwerp Investeringsplan opstellen Aanbesteding gunnen Opstellen projectplan uitvoeringsontwerp Start realisatie Realisatie warmtenet Exploitatieplan opstellen In bedrijfstelling warmtenet Start levering Investeringsplan bijwerken Exploitatieplan uitvoeren

Spoor 1: Planproces gemeente (wettelijke rol)

De gemeente bepaalt waar, wanneer en door wie een collectief warmtesysteem zoals een warmtenet wordt ontwikkeld. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte (Wcw) kun je hiermee al starten. Gemeenten nemen op basis van de Wcw een aantal stappen (planproces warmtenet), zoals het vaststellen van warmtekavels en het aanwijzen van een warmtebedrijf.

Warmteprogramma vaststellen

In een warmteprogramma beschrijft een gemeente de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Hierin staat welke wijken, buurten en dorpskernen in de komende 10 jaar van het aardgas gaan en hoe dat gebeurt.

Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: warmtetransitiegebied aanwijzen in het warmteprogramma

Wil de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzetten? Dan neemt de gemeente de gebieden in het warmteprogramma op waar zij overweegt de aanwijsbevoegdheid in te zetten en geeft aan wat de beoogde datum is om van het aardgas af te gaan. Dit worden warmtetransitiegebieden genoemd, zoals deze term is aangeduid in de Wgiw.

Wat is een warmtetransitiegebied?
Warmtetransitiegebieden zijn gebieden waar de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet. Dat betekent dat de aardgaslevering daar op termijn stopt en wordt vervangen door een ander warmtealternatief. Warmte iets anders dan een warmtekavel, zoals aangeduid in de Wet collectieve warmte (zie 'Vaststellen warmtekavel'). Een warmtekavel is een gebied waar een collectief warmtesysteem wordt gerealiseerd en waar een warmtebedrijf wordt aangewezen. Een warmtekavel kan ook worden vastgesteld zonder de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Het warmtebedrijf haalt dan op vrijwillige basis zo veel mogelijk aansluitingen op. Wanneer de aanwijsbevoegdheid wél wordt ingezet, ligt het voor de hand om de grenzen van het warmtetransitiegebied en de warmtekavel op elkaar af te stemmen (al hoeft dit niet). Het meest effectief is om deze aansluiting te maken voor de gebieden waarvoor een uitgewerkt kavelplan wordt vastgesteld. Zie: 'Omgevingsplanwijziging warmtetransitiegebied voor inzetten aanwijsbevoegdheid'.

Kavelstrategie opstellen

De Wet collectieve warmte verplicht gemeenten om een warmtekavel vast te stellen om levering van warmte te organiseren wanneer sprake is van een collectief warmtesysteem (zie 'Vaststellen warmtekavel'). Hiermee bepaalt de gemeente waar en door wie er collectieve warmte wordt geleverd. Als gemeente kan je hier een strategie voor opstellen maar het is niet verplicht.

De kavelstrategie is een marktordeningsinstrument. De gemeente houdt regie op waar en door wie er collectieve warmte wordt ontwikkeld en geëxploiteerd. Als de gemeente geen kavelstrategie maakt is er meer kans op ad hoc activiteiten of een wildgroei aan warmtekavels in de gemeente en aanvragen voor ontheffingen van klein collectieve systemen. Het is belangrijk om deze strategie en de afbakening van warmtekavels af te stemmen op de lopende haalbaarheidsonderzoeken voor collectief warmtesystemen (zie: 'Haalbaarheidsonderzoek collectief warmtesysteem').

Vaststellen warmtekavel

Gemeenten stellen warmtekavels vast. Bij het bepalen van een warmtekavel maken gemeenten keuzes over de omvang, het betrekken van stakeholders en samenwerkingen met buurgemeenten. Lees meer hierover: Warmtekavel vaststellen. Zie 'Warmtetransitiegebied aanwijzen' en 'Omgevingsplanwijziging warmtetransitiegebied voor inzetten aanwijsbevoegdheid'.

Aanvraag beoordelen globaal kavelplan

Warmtebedrijven kunnen een aanvraag indienen voor een vastgesteld warmtekavel nadat dit is gepubliceerd met een mededeling in de Staatscourant. Als één gegadigde zich meldt, geldt de aanwijsprocedure. Het college beslist dan binnen 8 weken na de ingediende aanvraag of het warmtebedrijf wordt aangewezen voor de warmtekavel. Het college kan een aanvraag enkel afwijzen als:

- Het aannemelijk is dat de gevolgen voor verbruikers zoals beschreven in het globaal kavelplan niet uitvoerbaar is.
- Het globaal kavelplan voor het warmtebedrijf niet uitvoerbaar is. 
- In de Bcw artikel 2.6 wordt dit verder uitgewerkt.

Als er meerdere aanvragen zijn is er sprake van een selectieprocedure. Daarbij rangschikt het college de aanvragen op basis van de volgende punten:

- Bereiken van de normen van uitstoot broeikasgassen (artikel 2.21 uit de Wcw)
- Doelmatige en kosteneffectieve aanleg en exploitatie van het collectief warmtesysteem
- Verzekeren van leveringszekerheid
- Betrekken van toekomstige verbruikers bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van het collectief warmtesysteem
- Uitvoerbaarheid van de gevolgen voor verbruikers
- Uitvoerbaarheid voor het warmtebedrijf

Het college wijst een warmtebedrijf aan dat het hoogst gerangschikt is. Het college kan een adviescommissie instellen om advies in te winnen. Daarnaast is er de mogelijkheid om de beoordelingscriteria weging toe te kennen waarbij het criterium voor minimaal 5% en maximaal 50% wordt meegewogen. Zie artikel 2.5 uit de Wcw voor meer informatie over de aanwijzings– en selectieprocedure.

Aanwijzen warmtebedrijf

De aanwijzing van een warmtebedrijf geeft het warmtebedrijf de exclusieve bevoegdheid om voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar warmte te leveren binnen de vastgestelde warmtekavel. Het college neemt hiervoor een collegebesluit. Dit is het moment dat de gemeente het project overdraagt aan het warmtebedrijf.

Wat is er nodig om een warmtebedrijf aan te wijzen?
Het warmtebedrijf levert bij het indienen van de aanvraag in elk geval het volgende aan:

- Besluit van de Autoriteit Consument en Markt waaruit blijkt dat het warmtebedrijf bekwaam wordt geacht om warmte te leveren in de warmtekavel. Zie: 'ACM-bekwaamheidstoets'
- Het globaal kavelplan, zie 'Opstellen globaal kavelplan'

De wettelijke kaders van de aanwijsprocedure staan ook beschreven in de Wet collectieve warmte artikel 2.5. Het is van belang dat elke stap in de procedure voor de aanwijzing van een warmtebedrijf onderbouwd en bewust wordt gezet. Dit borgt een optimale uitkomst voor gemeenten en maakt verantwoording achteraf over gemaakte keuzes mogelijk. Een gestructureerd besluitvormingsproces op lokaal niveau biedt ook houvast voor overheden, bedrijven en financiers om te kunnen investeren.

Verzoek tot opstellen uitgewerkt kavelplan

Het globaal kavelplan betreft het totale projectgebied. In de praktijk wordt dit in de meeste gevallen gefaseerd aangelegd en start het warmtebedrijf met een kleiner deel van dit totale gebied. Het college bepaalt, samen met het warmtebedrijf en andere betrokken partijen, wanneer de overstap naar collectieve warmte in (een deel van) het gebied logisch is. Op dat moment doet het college een verzoek aan het aangewezen warmtebedrijf tot het opstellen van een uitgewerkt kavelplan voor dat deel van de warmtekavel waar concreet wordt gewerkt aan een collectief warmtesysteem.

Beoordelen uitgewerkt kavelplan

Het uitgewerkt kavelplan heeft instemming van het college nodig om vast te kunnen stellen. Bij de instemming van het college geldt het volgende (zie artikel 2.16 van de Wcw). Het college mag de instemming alleen weigeren wanneer:

- De warmtebronnen in het uitgewerkt kavelplan afwijken van het globale kavelplan én die
afwijking niet goed is onderbouwd. Tenzij deze wijziging is opgelegd door de Autoriteit
Consument en Markt.
- Het college mag de instemming alleen weigeren wanneer het warmtebedrijf geen redelijk
rendement of ander acceptabel rendement kan behalen.

Het college beslist binnen 8 weken over de instemming van het uitgewerkte kavelplan en kan het aangewezen warmtebedrijf verplichten om het uitgewerkt kavelplan aan te passen. Het college kan voorschriften en beperkingen aan een instemming verbinden.

Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: wijkuitvoeringsplan actualiseren

Een wijkuitvoeringsplan beschrijft voor een van de gekozen gebieden die in het warmteprogramma is aangewezen hoe deze wijk van het aardgas af gaat. De gemeente moet het wijkuitvoeringsplan actualiseren met de laatste uitgangspunten. Het wijkuitvoeringsplan is niet verplicht, maar wordt gezien als een goede onderbouwing voor de wijziging van het omgevingsplan bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Lees meer over uitvoeringsplannen in de handreiking uitvoeringsplan warmtetransitie.

Voor een effectief planproces sluit de gemeente in het opstellen van haar wijkuitvoeringsplan zoveel mogelijk aan bij het uitgewerkte kavelplan dat het warmtebedrijf opstelt. Zie: 'Opstellen uitgewerkt kavelplan'.

Vaststellen uitgewerkt kavelplan

Het uitgewerkt kavelplan is een verder uitgewerkte versie van het globaal kavelplan. Het globaal kavelplan omvat het complete projectgebied inclusief fasering. Het uitgewerkte kavelplan omvat in veel gevallen een kleiner deel van het globaal kavelplan (totale projectgebied) waar concreet wordt gewerkt aan een collectief warmtesysteem. In de praktijk zijn er mogelijk meerdere uitgewerkte kavelplannen nodig voor het projectgebied waarvoor een globaal kavelplan is gemaakt. Bij de activiteit 'Opstellen uitgewerkt kavelplan' in het spoor van het warmtebedrijf staat beschreven wat er allemaal in een uitgewerkt kavelplan moet staan.


Wie doet wat bij een uitgewerkt kavelplan?
Het college doet een verzoek aan het warmtebedrijf om een uitgewerkt kavelplan op te stellen. Het aangewezen warmtebedrijf stelt het uitgewerkt kavelplan vervolgens op. In de praktijk wordt het uitgewerkt kavelplan opgesteld in afstemming met de gemeente zodat het plan past binnen de gemeentelijke kaders. De rol van de gemeente is ook belangrijk ten aanzien van ruimtelijke inpassing en communicatie naar de bewoners. Zie: 'Ondersteuning warmtebedrijf bij opstellen uitgewerkt kavelplan'.

Wat gebeurt er na de vaststelling van een uitgewerkt kavelplan?
Na het vaststellen van het uitgewerkte kavelplan is het de bedoeling dat het warmtebedrijf dit plan gaat uitvoeren. Bij het indienen van het uitgewerkt kavelplan is ook een investeringsplan ingediend. Hiermee neemt het warmtebedrijf als het ware een pre-Financial Investment Decision (FID). Met de vaststelling van het uitgewerkte kavelplan geeft de gemeente het warmtebedrijf houvast om een investeringsbeslissing te kunnen nemen. Het meest effectief is dat de gemeente ook direct de aanwijsbevoegdheid inzet, zodat het warmtebedrijf de inventarisatie opt-out kan uitvoeren. Zie: 'Inventarisatie opt-out' en 'Omgevingsplanwijziging warmtetransitiegebied voor inzetten aanwijsbevoegdheid'.

Als de gemeente hiermee zou wachten heeft het warmtebedrijf geen verplichting tot het doen van een aanbod en hebben woningeigenaren ook geen verplichting tot het accepteren of onderbouwd weigeren van dit aanbod. Het warmtebedrijf mag alleen van het uitgewerkt kavelplan afwijken als het een gewijzigde versie heeft opgesteld én het college daarmee heeft ingestemd.

Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: vergewisplicht

Bij inzet van de aanwijsbevoegdheid is het aangewezen warmtebedrijf verplicht alle verbruikers in het gebied een aanbod te doen; verbruikers die niet reageren, worden geacht te willen aansluiten (zie hiervoor de activiteit 'Inventariseren Opt-out voor particulieren'). Bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid heeft daarom de gemeente de verantwoordelijkheid om te borgen dat in de praktijk niemand zonder warmtevoorziening achterblijft. Dit doet de gemeente onder meer door toezicht te houden op de voortgang van de aanleg van het warmtenet en door te monitoren of alternatieve warmteoplossingen voldoen aan de vereisten en tijdig worden gerealiseerd.

Wanneer een eigenaar ervoor kiest om een warmtealternatief te nemen, dan is de eigenaar verplicht om het gelijkwaardig alternatief te melden bij de gemeente. De gemeente toetst of het alternatief ten minste dezelfde energieprestatie heeft als de aangeboden warmteoplossing.

Bij inzetten aanwijsbevoegdheid: omgevingsplanwijziging voor warmtetransitiegebied

Als de gemeente de aanwijsbevoegdheid wil inzetten moet dit in het omgevingsplan worden verankerd. Hiervoor moet het huidige omgevingsplan gewijzigd worden. De wijziging van een omgevingsplan is een besluit dat de gemeenteraad neemt. Voor dit besluit dient een gegronde onderbouwing te zijn gemaakt. In veel gevallen wordt deze onderbouwing gegeven door het maken van een uitvoeringsplan van het gebied (zie 'Wijkuitvoeringsplan opstellen'). Om de aanwijsbevoegdheid juridisch te verankeren worden er regels opgenomen in het omgevingsplan over de datum waarop aardgaslevering stopt en wat het gekozen alternatief voor aardgas is voor het betreffende gebied. De regels in het omgevingsplan zijn bindend. Tussen de wijziging van het omgevingsplan en het beëindigen van de levering van aardgas moet een redelijke termijn van ten minste 8 jaar zitten (met enkele uitzonderingen, zie hiervoor: Bgiw 2.7.7).

Zienswijze indienen op investeringsplan

Het warmtebedrijf stelt haar eigen investeringsplan vast. Het warmtebedrijf legt het conceptinvesteringsplan voor aan de ACM en aan het college. Het investeringsplan wordt door de ACM getoetst. Het college kan een zienswijze indienen bij de ACM die dan wordt meegenomen bij het toetsen van het investeringsplan.

Toetsen op naleving uitgewerkt kavelplan

Het warmtebedrijf moet de plannen uit het uitgewerkte kavelplan nakomen. Daarnaast is het warmtebedrijf verplicht om de taken en verplichtingen van een warmtebedrijf uit te voeren. Tussentijds toetst de gemeente of het warmtebedrijf zich houdt aan het uitgewerkt kavelplan. Het warmtebedrijf mag alleen van het uitgewerkt kavelplan afwijken als het een gewijzigde versie heeft opgesteld én het college daarmee heeft ingestemd.

Zienswijze indienen op bijgewerkt investeringsplan

Het warmtebedrijf actualiseert haar eigen investeringsplan op reguliere basis tijdens de exploitatiefase. Het warmtebedrijf legt het concept-investeringsplan voor aan de ACM en aan het college. Het investeringsplan moet door de ACM getoetst worden. Het college kan ook hier een zienswijze indienen bij de ACM die dan wordt meegenomen bij het toetsen van het investeringsplan.

Spoor 2: Gemeente in de faciliterende rol

Door de verplichte taken vanuit de Wcw en Wgiw in het 'Planproces gemeente' houdt de gemeente regie op collectieve warmtesysteemontwikkelingen. De gemeente stelt een projectleider aan die aan het collectief warmtesysteem gaat werken. Op deze manier zorgt de gemeente dat de ontwikkeling past bij het beleid van de gemeente en stemt de lopende plannen van het warmtebedrijf en de gemeente op elkaar af. In de initiatiefase heeft de gemeente de regie. Vanaf de ontwikkelfase neemt het warmtebedrijf het voortouw en wordt de rol van de projectleider meer faciliterend. De rol van de gemeente kan verschillend worden ingevuld:

1. Proactieve gemeente: we zien in de praktijk dat niet alle warmtebedrijven in een vroeg en onzeker stadium de eerste plannen maken en contacten met afnemers ophalen. In deze situatie doet de gemeente de eerste haalbaarheidsonderzoeken en bijbehorende businesscase 30-40% zelf en dekt de kosten hiervoor. Ook kan de gemeente al de eerste contacten of commitment hebben met afnemers, zoals een woningcorporatie.

2. Reactieve gemeente: er zijn ook situaties dat het warmtebedrijf zich opstelt als partij met kennis en ervaring, waarmee de gemeente in een opdrachtgeverrol blijft. De gemeente doet dan in veel gevallen de allereerste haalbaarheidsonderzoeken en vanaf het maken van een projectdefinitie (pre-schetsontwerp-niveau) doet het warmtebedrijf het zelf (en betaalt dit dus ook). De gemeente heeft dan nog altijd de rol om de ontwikkelingen van het warmtebedrijf in lijn te houden met het beleid en de ontwikkelingen binnen de gemeente.


Let op: dit stappenplan gaat ervan uit dat het initiatief voor het collectief warmtesysteem vanuit de gemeente komt vanuit het warmteprogramma. Het is ook mogelijk dat het initiatief vanuit andere partijen komt zoals een warmtebedrijf, de woningcorporatie of bewonersinitiatieven.

Haalbaarheidsonderzoek warmtenet

Op basis van het warmteprogramma ziet de gemeente kansen voor een collectief warmtesysteem in een wijk of buurt. De beleidsafdeling van de gemeente onderzoekt de eerste kansen. Het is van belang dat er inzicht komt in techniek, financiën en governance om de haalbaarheid van het collectief warmtesysteem in beeld te krijgen. Om dit mogelijk te maken is er een collegebesluit nodig met daarin de volgende toezeggingen:

- Mandaat voor een projectleider binnen de gemeente om aan de ontwikkeling van een collectief warmtesysteem voor het beoogde gebied te gaan werken.
- Er budget vanuit de gemeente wordt vrijgemaakt voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek om daarmee de initiatiefase voor het collectief warmtesysteem invulling te geven.
- Het college toont bereidheid om de potentie van het collectief warmtesysteem te onderzoeken.


Wat staat er in een haalbaarheidsonderzoek?
Het haalbaarheidsonderzoek in de initiatiefase heeft onder andere de volgende onderdelen:

- Het aan te sluiten programma: warmte en vermogensvraag
- Identificatie van potentiële warmtebronnen
- Vergelijking van alternatieve systemen zoals individuele warmtepompen
- Betrokken stakeholders en inzicht in aansluitzekerheden
- Impact van het collectief warmtesysteem op: ruimte, netcongestie en milieu
- Vervolgstappen


Wie doet wat bij een haalbaarheidsonderzoek?
Dit stappenplan gaat ervan uit dat het haalbaarheidsonderzoek wordt geïnitieerd door de gemeente bij een wijk die als onderzoeksgebied uit een warmteprogramma komt.

Er wordt een projectleider aangesteld om uitvoering te geven aan het haalbaarheidsonderzoek. De projectleider stelt een projectteam samen met de volgende stakeholders en disciplines:

- Gemeente: de afdeling projecten en afdeling duurzaamheid/ energietransitie. Ook kan de afdeling ruimte, een planeconoom en de afdeling communicatie worden betrokken.
- Afnemers: vertegenwoordiging van bewoners, huurders en /of ondernemers. Als er al een warmtebedrijf betrokken is dan is het belangrijk om de informatie die zij hebben opgehaald bij de 'Inventarisatie bronnen & afnemers' mee te nemen.
- Netbeheerder
- Indien van toepassing: vertegenwoordiger van het gemeentelijk warmtebedrijf.

Het projectteam stelt de onderzoeksopdracht vast en selecteert een bureau voor uitvoering.

Inventarisatie warmtebedrijven

De gemeente verkent in deze fase welke warmtebedrijven er geïnteresseerd zijn om voor het beoogde gebied een collectief warmtesysteem aan te leggen. Hoewel deze stap niet verplicht is volgens de Wcw, is het als gemeente wel verplicht om deze inventarisatie te doen voordat je als gemeente gaat samenwerken met één warmtebedrijf. Het kan namelijk voordelen hebben om samen op te trekken. Bijvoorbeeld door gezamenlijk uit te zoeken hoe groot de warmtekavel moet zijn. Dit kan alleen als er bij de inventarisatie maar één partij naar voren komt. Bij deze inventarisatie wordt ook gekeken in hoeverre er warmtegemeenschappen of bewonersinitiatieven geïnteresseerd zijn in het beoogde gebied.

Ondersteuning bij opstellen globaal kavelplan

In het proces helpt het als de gemeente een projectleider aanstelt om het warmtebedrijf te begeleiden tijdens de eerste fasen van het collectief warmtesysteemtraject. In het geval er meerdere warmtebedrijven zijn die een aanvraag indienen wordt de rol van de gemeente meer faciliterend. In dat geval kan de gemeente een level playing field borgen door een dialoogtraject met alle gegadigden te voeren. De gemeente richt een projectgroep in met verschillende afdelingen inclusief een overlegstructuur. Denk bijvoorbeeld aan de volgende afdelingen: duurzaamheid/energietransitie, communicatie, maar ook externe stakeholders zoals woningcorporaties.

Wie doet wat?
Om het globaal kavelplan in te vullen maakt het warmtebedrijf een technisch concept op pre-schetsontwerp-niveau met een haalbare businesscase op hoofdlijnen, met 30-40% onzekerheid (zie 'Uitwerken projectdefinitie'). De gemeente kijkt hierin mee. Belangrijke aandachtspunten zijn bijvoorbeeld de ruimtelijke inpassing zowel ondergronds als bovengronds. Onder andere op basis daarvan maakt het warmtebedrijf het globaal kavelplan (zie 'Opstellen globaal kavelplan'). De projectleider van de gemeente werkt bij voorkeur in nauwe samenwerking met het warmtebedrijf om het globaal kavelplan op te stellen. Op deze manier wordt het globaal kavelplan voldoende afgestemd met het beleid en de ontwikkelingen binnen de gemeente.

Vastleggen overige afspraken tussen gemeente en warmtebedrijf

De gemeente blijft gedurende de ontwikkeling een belangrijke stakeholder. Daarom is het van belang dat de gemeente en het warmtebedrijf afspraken maken over de samenwerking en de rolverdeling in het ontwikkeltraject. Het gaat hierbij om afspraken buiten de wettelijke taken/verplichtingen om. Na de aanwijzing van een warmtebedrijf kunnen gemeente en warmtebedrijf deze afspraken vastleggen in een (anterieure) overeenkomst, maar dit is niet verplicht.

Welke afspraken worden gemaakt?
Onderstaande lijst geeft een beeld van punten waar de gemeente en het warmtebedrijf afspraken over maken in dit stadium. Uiteraard is iedere ontwikkeling verschillend en kunnen hier in de praktijk punten worden toegevoegd of juist achterwege gelaten.

- Organisatie en governance: inrichting van de samenwerking, rollen en verantwoordelijkheden, besluitvorming en inzet/capaciteit van partijen in het vervolgproces. Denk bijvoorbeeld aan het betrekken van relevante disciplines binnen de gemeente (ruimtelijke ontwikkeling, financiën, etc.)
- Planning: de beoogde planning van het ontwikkeltraject, inclusief een afspraak over planning en proces voor het opstellen en vaststellen van het uitgewerkt kavelplan.
- Bijdragen aan de businesscase: afspraken over wat iedere partij inbrengt om de businesscase rond te krijgen en de betaalbaarheid te borgen (bijvoorbeeld inbreng van vastgoed/locaties, financieringsvoorwaarden en inzet van subsidies).
- Dekking ontwikkelkosten (DEVEX): afspraken over omvang, verdeling en financiering van ontwikkelkosten.
- Inzet aanwijsbevoegdheid: het warmtebedrijf kan als voorwaarde stellen dat de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet. De gemeente stelt op haar beurt als voorwaarde dat zij dit pas doet als robuust is onderbouwd dat de tarieven betaalbaar zijn.
- Overige belangrijke onderwerpen:
o Vergunningen: afspraken over welke vergunningen nodig zijn en wanneer deze aangevraagd moeten worden
o Netcapaciteit en netcongestie: afspraken over hoe om wordt gegaan met de beschikbare netcapaciteit op de locatie van het collectieve warmtesysteem.
o Participatie: taakverdeling voor participatietraject en momenten en manieren waarop bewoners betrokken worden, zie Bouwstenen participatie.

Wie doet wat?
De gemeente en het warmtebedrijf werken nauw samen om tot passende afspraken te komen. De gemeente is in deze processtap betrokken als stakeholder en procespartner. De gemeente kan faciliteren (bijv. door partijen te verbinden, informatie te delen en afstemming te organiseren). Waar gemeentelijke besluitvorming nodig is, wordt dit geborgd. In veel gevallen gebeurt dit via een besluit van het college en/of de raad. Bijvoorbeeld over de intentie de aanwijsbevoegdheid in te zetten en eventueel middelen reserveren voor een toekomstige financiële bijdrage aan het project. Zo stelt de gemeente het warmtebedrijf in staat het collectief warmtesysteem te ontwikkelen.

Begeleiding en ondersteuning warmtebedrijf bij uitwerken schetsontwerp en voorlopig ontwerp

Tijdens de initiatiefase van het collectief warmtesysteemtraject heeft de gemeente een trekkende rol gehad. Na de aanwijzing van het warmtebedrijf is de gemeente niet meer in de lead maar het warmtebedrijf. Het helpt om als gemeente mee te denken en voldoende afstemming met het warmtebedrijf te houden zodat de plannen aansluiten bij de vastgestelde gemeentelijke uitgangspunten.

Wat doet de gemeente voor begeleiding en ondersteuning?

De gemeente voert verschillende zaken uit zoals:
- Politiek bestuurlijke urgentie in het proces tussen de relevante stakeholders
- Ruimtelijke en milieukundige inpassing
- Vooroverleg vergunningen
- Faciliteren koppelkansen binnen de gemeente
- Begeleiden en ondersteunen wijkaanpak en communicatie
- Subsidie en financieringsinstrumentarium

Begeleiding en ondersteuning warmtebedrijf tijdens realisatie

Het warmtebedrijf is verantwoordelijk voor het opstellen van een definitief ontwerp, uitvoeringsontwerp en de daadwerkelijke realisatie. Het warmtebedrijf stemt hierover af met de gemeente. Door blijvende afstemming draagt de gemeente eraan bij dat de plannen van het warmtebedrijf aansluiten op de vastgestelde gemeentelijke uitgangspunten.

Wat is de rol van de gemeente tijdens de realisatie?
In de realisatiefase is het warmtebedrijf aan zet. Toch is het nog steeds belangrijk om als gemeente grip te houden op de ontwikkeling. Zo ondersteunt de gemeente het warmtebedrijf bij het maken van een definitief ontwerp (DO). Daarbij zijn met name alle zaken rondom de openbare ruimte vanuit de gemeente cruciaal. De gemeente heeft een rol bij:
- De inpassing van het collectief warmtesysteem in de ondergrond
- De regeneratie van wegoppervlakten en groenherstel
- De locaties van warmteoverdrachtstations en piek – en backupvoorzieningen.

Zie voor meer informatie de activiteiten 'Uitwerken definitief ontwerp'.

Daarnaast kan de gemeente ook toegevoegde waarde leveren tijdens de realisatie. De gemeente heeft een rol voor de volgende activiteiten:

- Vergunningverlening
- Omgevingsmanagement
- Inrichting openbare ruimte waaronder: inventarisatie en effectuering koppelkansen
- Communicatie naar bewoners over ‘de straat gaat open’

Spoor 3: Ontwikkelproces warmtebedrijf

Dit spoor is het ontwikkelproces van een warmtenet vanuit het warmtebedrijf en geldt voor alle type warmtebedrijven: publiek, privaat, gemeentelijk en/of vanuit een energiegemeenschap. Het gaat niet over het oprichten van een warmtebedrijf, daarvoor is de Handreiking oprichting warmtebedrijf voor gemeenten.

Ontwikkelstrategie opstellen

De ontwikkelstrategie beschrijft hoe een warmtebedrijf een collectief warmtesysteem wil ontwikkelen. Dit geeft een warmtebedrijf richting in het maken van (strategische) keuzes over bronnen, netinfrastructuur, fasering van aansluitingen, samenwerking met gemeente en marktpartijen en de verdeling van risico’s en rollen. De ontwikkelstrategie is logischerwijs onderdeel van het bedrijfsplan van het warmtebedrijf.

Wat staat er in een ontwikkelstrategie?
De ontwikkelstrategie volgt uit de missie, visie en kernwaarden van een warmtebedrijf. Denk aan de
volgende thema's:

- Interne besluitvorming: hoe is mandatering voor besluiten op projectniveau in de organisatie belegd?
- Samenwerking: wat is de stakeholderstrategie van het warmtebedrijf?
- Ontwikkelprincipes: hanteert het warmtebedrijf een minimale omvang voor een (deel)project? Welke onderdelen van het ontwikkelproces doet het warmtebedrijf zelf en welke onderdelen uitbesteden aan marktpartijen?
- Ontwerpprincipes: welke aansluitconcepten past het warmtebedrijf graag toe? Welke afleverset heeft de voorkeur? Welk materiaal en type leidingwerk?
- Financiële parameters: welk minimaal rendement past het warmtebedrijf toe voor het investeren in projecten?
- Risicobeheersing: hoe zijn risico's verdeeld tussen gemeente en warmtebedrijf en tussen warmtebedrijf en uitvoerende partij/ contractant?

Inventarisatie bronnen & afnemers

In de initiatiefase van de ontwikkeling van een collectief warmtesysteem is het van belang dat er gekeken wordt naar de beschikbare bronnen en potentiële afnemers van warmte. De gemeente heeft daar mogelijk al een beeld bij, vraag dat op.

Inventarisatie bronnen
Het doel is om in beeld te brengen welke duurzame warmtebronnen er zijn. En de potentie ervan: wanneer, met welk volume en op welke temperatuur deze bronnen duurzame warmte kunnen leveren. Het is belangrijk dat de hoeveelheid warmte en temperatuur van de bron past bij de warmtevraag van potentiële afnemers. Als de bron niet in eigendom is van het warmtebedrijf, moet het warmtebedrijf contact opnemen met de broneigenaar om te vragen of ze warmte willen leveren. Onderdeel van deze inventarisatie is een eerste verkenning naar de haalbaarheid van de bron in relatie tot netcongestie: hoe uitdagend is het om een netaansluiting te verkrijgen en is de bron een potentiële congestieverzachter? Meer over bronnen en meer over warmtetechnieken.

Inventarisatie afnemers
Het doel is om in beeld te brengen hoeveel en wat voor afnemers er zijn. En op welke momenten en welke temperatuur deze afnemers duurzame warmte willen afnemen. Het belangrijkste is het identificeren van potentiële grote afnemers die de ‘startmotor’ van het warmtenet, zoals woningcorporaties, grote bedrijven of glastuinbouw. 

Wie doet wat bij de inventarisatie van bronnen en afnemers?
Het warmtebedrijf is in de exploitatiefase verantwoordelijk voor de inzet van duurzame bronnen en het bieden van leveringszekerheid aan afnemers. Zij kiest daarom welke bronnen ze hiervoor inzet. Echter; de gemeente heeft doorgaans al verschillende onderzoeken gedaan naar de haalbaarheid/geschiktheid van gebieden voor warmtenetten. Dit stappenplan gaat ervan uit dat de gemeente vervolgens voor een aantal van de kansrijke gebieden een haalbaarheidsonderzoek uitvoert (zie 'Haalbaarheidsonderzoek warmtenet'). In deze onderzoeken is vaak al gekeken naar de aanwezigheid van bronnen (nabij) het gemeentegebied, en hoeveel en wat voor type afnemers van warmte er zijn in de gemeente. In de initiatiefase is een logische stap dat het warmtebedrijf bij de gemeente opvraagt welke informatie er al beschikbaar is.

Projectdefinitie

In de initiatiefase gaat een warmtebedrijf aan de slag met het definiëren van het project; het bepalen van de scope, het maken van een eerste ontwerpschets en het verkennen van de businesscase. De projectdefinitie is daarmee de eerste stap in het ontwikkelen van een projectplan en de voorloper van het globale kavelplan (zie: 'Opstellen globaal kavelplan').

Wat houdt de projectdefinitie in? 
In de projectdefinitie wordt nagedacht over het technisch concept op het niveau van preschetsontwerp, met minimaal: globale warmtevraag, aantal en type afnemers, bronopties & temperatuurregime en het hoofdtracé. Tijdens de projectdefinitie wordt ook een eerste, verkennende businesscase opgesteld. Hiervoor kan je de template Businesscase warmtenet gebruiken.

Wie doet wat? 
Het warmtebedrijf is verantwoordelijk voor de projectdefinitie. Het warmtebedrijf kan hiervoor bij de gemeente om informatie vragen en vraagt aan de gemeente of zij meewerkt aan dit projectplan vanuit haar kennis van het projectgebied en haar regisseursrol. In de initiatiefase gaat dit voornamelijk over informatie die de gemeente al heeft uit eerdere haalbaarheidsonderzoeken (zie: 'Haalbaarheidsonderzoek warmtenet').

Voornemen tot inschrijving kenbaar maken

Nadat het college van B&W een warmtekavel heeft vastgesteld doet de gemeente een mededeling in de Staatscourant van de vastgestelde warmtekavel. Na deze openbare publicatie van de warmtekavel maakt het warmtebedrijf kenbaar dat ze het voornemen hebben om een aanvraag in te dienen. De termijn hiervoor wordt nog uitgewerkt in een ministeriële regeling. Dit moment is een formele inventarisatie van de geïnteresseerde warmtebedrijven. Voor het uitgebreide proces zie: artikel 2.4 van de Wcw. Vanaf dat moment start het warmtebedrijf de formele aanvraag. Hiervoor worden in elk geval het globaal kavelplan en de ACM-toets voorbereid.

Globaal kavelplan opstellen

Als onderdeel van de aanvraag om aangewezen te worden voor een warmtekavel moet een warmtebedrijf een globaal kavelplan aanleveren. Een globaal kavelplan kan worden gezien als combinatie van een visie, bronnenstrategie en ontwikkelstrategie. Belangrijke elementen van het globaal kavelplan zijn: een schetsontwerp, participatieplan en eerste businesscase. Het globaal kavelplan kan gezien worden als de publiekrechtelijke variant van de projectdefinitie – op basis hiervan wordt immers het warmtebedrijf aangewezen (zie: 'Projectdefinitie')

Waar moet een globaal kavelplan aan voldoen?
Het globale kavelplan behandelt de volgende punten (een beschrijving van de wettelijke kaders staat in de Wcw, artikel 2.7):

- Leveringszekerheid: hoe warmtecontinuïteit wordt gegarandeerd.
- Duurzaamheidsnormen: strategie om te voldoen aan CO2-uitstoot- en andere milieunormen
- Warmtebehoefte: beschrijving van de warmtebehoefte en kenmerken van de binnen installaties
- Participatie: de manier waarop toekomstige verbruikers betrokken worden bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van het warmtenet.
- Netontwerp: schets van warmtebronnen, tracés (met name hoofdleidingen) en temperaturen.
- Tijdlijn voor aanleg en ontwikkeling.
- Schatting van kosten en tarieven

Wie doet wat om een globaal kavelplan op te stellen? 
Het warmtebedrijf stelt het globale kavelplan op. In de praktijk wordt dit bij voorkeur gedaan in nauwe samenwerking met de gemeente, zodat het kavelplan aansluit bij de gemeentelijke visie. Het warmtebedrijf kan informatie opvragen bij de gemeente, bijvoorbeeld over haalbaarheidsstudies voor een collectief warmtesysteem in de betreffende kavel. Op basis van het globaal kavelplan verkrijgt het warmtebedrijf namelijk de aanwijzing. 

Voor meer informatie over de rol van de gemeente in deze stap, zie: 'Ondersteuning warmtebedrijf bij opstellen globaal kavelplan'.

ACM-bekwaamheidstoets

Als onderdeel van de aanvraag om aangewezen te worden op een warmtekavel moet een warmtebedrijf een besluit van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aanleveren waaruit blijkt dat het warmtebedrijf bekwaam wordt geacht om warmte te leveren in de warmtekavel. Voor het afgeven van dit besluit toetst de ACM of de aanvrager voldoende organisatorisch en technisch bekwaam is én financieel in staat is om de wettelijke taken voor de betreffende warmtekavel uit te voeren. Met deze toets wordt voorkomen dat een warmtebedrijf wordt aangewezen die de wettelijke taken na aanwijzing niet kan uitvoeren. Het warmtebedrijf levert onder andere het globaal kavelplan aan. Een beschrijving van de wettelijke kaders voor de ACM-bekwaamheidstoets staat in de Wet collectieve warmte artikel 2.5.3.

Waar moet een warmtebedrijf aan voldoen om de ACM-bekwaamheidstoets te halen? 
De ACM toetst de bekwaamheid van het warmtebedrijf om de wettelijke taken na aanwijzing te kunnen uitvoeren. De wettelijke taken na aanwijzing op een warmtekavel worden beschreven in de wet collectieve warmte artikel 2.13. Deze taken zijn op hoofdlijnen: het doelmatig aanleggen, beheren en onderhouden van een collectieve warmtevoorziening en het bijbehorende collectief warmtesysteem binnen het warmtekavel en het transporteren en leveren van warmte. Daarbij waarborgt het warmtebedrijf leveringszekerheid, veiligheid, kwaliteit van dienstverlening, transparante en redelijke voorwaarden en de duurzaamheid van het systeem.

Wie doet wat bij de ACM-bekwaamheidstoets? 
Het warmtebedrijf dient eerst zelf een aanvraag in bij ACM. Aan te leveren onderdelen: onder andere jaarrekeningen, documenten waaruit de organisatorische bekwaamheid blijkt en de klachtenen geschillenregeling. Alle onderdelen van de aanvraag staan beschreven in artikel 2.2 van het Besluit collectieve warmte. De ACM bepaalt op basis van de beoordelingsgronden in artikel 2.3 van het Besluit collectieve warmte of het warmtebedrijf voldoet aan de vereisten. Pas na een positief besluit van ACM kan de gemeente een formele aanwijzingsaanvraag in behandeling nemen. Details van de procedure voor deze ACM-toets zijn nog niet bekend.

Aanvraag indienen voor aanwijzing op warmtekavel

Na publicatie van de kavel door de gemeente in de Staatscourant besluit het warmtebedrijf een aanvraag in te dienen voor een aanwijzing, zie: 'Aanwijzen warmtebedrijf'.

Het warmtebedrijf levert bij het indienen van de aanvraag aan:

- Besluit van de ACM waaruit blijkt dat het warmtebedrijf bekwaam wordt geacht om warmte te leveren in de warmtekavel, zie: 'ACM-bekwaamheidstoets'.
- Globaal kavelplan, zie: 'Opstellen globaal kavelplan'.

Na het indienen besluit de gemeente hier over binnen 8 weken.

Samenwerkingsovereenkomst met ketenpartners zoals bronnen en afnemers

De gemeente heeft nu een juridische verhouding met het aangewezen warmtebedrijf. Vaak zoekt een warmtebedrijf ook afspraken met de bronnen en afnemers, die zijn noodzakelijk voor de ontwikkeling en realisatie van het warmtenet. Afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst (SOK). In de overeenkomst wordt de samenwerking voor de ontwikkeling van een collectief warmtesysteem voor het (start)project binnen de warmtekavel vastgelegd. Hoewel de aanwijzing van een warmtebedrijf zekerheid geeft dat het warmtebedrijf warmte mag leveren binnen de warmtekavel, is daarnaast een overeenkomst met afnemers nodig om aansluitzekerheid te versterken. Hiermee wordt ook het vollooprisico beperkt.

Wat moet er in een samenwerkingsovereenkomst staan?
In de SOK worden minimaal afspraken vastgelegd over:

- Scope en afbakening: afbakening van het startproject waarop de samenwerking betrekking heeft en (waar relevant) uitsplitsing van de totale scope in het projectgebied.
- Aansluitzekerheid en uitgangspunten afname: afspraken met (vertegenwoordigers van) afnemers over het beoogde aantal aansluitingen en uitgangspunten voor (voorlopige) tarieven, om aansluitzekerheid te versterken en het vollooprisico te beperken.
- Organisatie en governance: inrichting van de samenwerking, rollen en verantwoordelijkheden, besluitvorming en inzet/capaciteit van partijen in het vervolgproces.
- Dekking ontwikkelkosten (DEVEX): afspraken over omvang, verdeling en financiering van ontwikkelkosten.
- Mijlpalen en voorwaarden die behaald moeten worden om te komen tot een Final Investment Decision (FID).
- Bijlagen: het globaal kavelplan als bijlage (en waar relevant aanvullende bijlagen zoals uitgangspunten, het voorlopige ontwerp, planningen en scopekaarten).
- Ontbindende voorwaarden: voorwaarden op basis waarvan de overeenkomst opgeschort of ontbonden kan worden.

Wie doet wat bij het tekenen van een samenwerkingsovereenkomst?
Deze processtap raakt meerdere partijen. De rolverdeling wordt in de praktijk vaak als volgt ingevuld:

- Warmtebedrijf: stelt (concept)overeenkomsten op of laat deze opstellen, voert de onderhandelingen met potentiële afnemers en bronhouders en zorgt dat de afspraken aansluiten op het (globale) ontwerp, de fasering en de businesscase. Het warmtebedrijf bundelt de uitkomsten en verwerkt deze in de verdere planuitwerking richting FID.
- Potentiële afnemers: toetsen de afspraken aan eigen belangen en besluitvormingsprocessen, leveren input over warmtevraag en planning (bijv. vastgoedstrategie/onderhouds- en renovatieplanning) en leggen commitment of intenties vast die bijdragen aan aansluitzekerheid.
- Bronhouder(s): leveren gegevens over broncapaciteit en beschikbaarheid, maken afspraken over reservering en leveringscondities en leggen vast welke technische en organisatorische randvoorwaarden gelden.

Conditioneringsonderzoek

Een conditioneringsonderzoek is een verkennend onderzoek naar de randvoorwaarden in de fysieke leefomgeving die van invloed zijn op de haalbaarheid en maakbaarheid van het warmtenet. Er wordt een scan gedaan op onderwerpen zoals milieu, bodemkwaliteit en de ondergrond. De uitkomsten geven vroegtijdig inzicht in risico’s, benodigde vervolgonderzoeken en aandachtspunten voor ontwerpkeuzes, tracébepaling, planning, kostenramingen en vergunningen. Het warmtebedrijf Intern initieert het conditioneringsonderzoek en coördineert de uitvoering, vaak samen met een gespecialiseerde adviespartij. De gemeente ondersteunt door beschikbare informatie te delen en over randvoorwaarden af te stemmen.

Uitgewerkt kavelplan opstellen

Het uitgewerkte kavelplan volgt dezelfde opbouw als het globaal kavelplan, dat de ontwikkelrichting op hoofdlijnen beschrijft. Het uitgewerkt kavelplan maakt concreet hoe en wanneer de overstap naar collectieve warmte in het gebied plaatsvindt en vertaalt het naar een uitvoerbaar, toetsbaar ontwerp voor verdere besluitvorming en voorbereiding richting realisatie. Het uitgewerkte kavelplan beslaat vaak een kleiner deel van het globaal kavelplan, omdat collectieve warmtesystemen gefaseerd worden ontwikkeld. Een gemeente heeft de mogelijkheid om voor een deel van de warmtekavel een uitwerking te vragen. In de praktijk kunnen daarom meerdere uitgewerkte kavelplannen nodig zijn voor hetzelfde gebied dat door het globaal kavelplan is afgebakend. Op basis hiervan besluit de gemeente of het warmtebedrijf het collectief warmtesysteem kan realiseren. Het uitgewerkt kavelplan geeft ook informatie die gebruikt kan worden in de afweging van de gemeente of zij hier de aanwijsbevoegdheid bij inzet.

Wat moet er in een uitgewerkt kavelplan staan? 
Het uitgewerkte kavelplan moet voldoende concreet zijn om de beoogde ontwikkeling en uitrol van de collectieve warmtevoorziening binnen (een deel van) de warmtekavel te kunnen onderbouwen. Het uitgewerkt kavelplan bevat dezelfde elementen als het globaal kavelplan, zie: 'Globaal kavelplan opstellen', maar deze worden gedetailleerder ingevuld. Het uitgewerkt kavelplan (of een wijziging daarvan) heeft instemming van het college nodig; aan die instemming kunnen voorschriften, beperkingen en ontbindende voorwaarden worden verbonden. Zie 'Vaststellen uitgewerkt kavelplan'. Het warmtebedrijf kan ervoor pleiten om hier ontbindende voorwaarden aan toe te voegen zoals het verkrijgen van de WIS-subsidie.

Wie doet wat om een uitgewerkt kavelplan op te stellen? 
Het aangewezen warmtebedrijf stelt het uitgewerkt kavelplan op wanneer het college het warmtebedrijf daartoe verzoekt. In de praktijk wordt het uitgewerkt kavelplan opgesteld in afstemming met de gemeente en andere belanghebbenden. De gemeente ondersteunt het warmtebedrijf bij het opstellen van het uitgewerkt kavelplan, onder meer door afstemming met betrokkenen te organiseren en relevante informatie uit het gemeentelijke proces beschikbaar te stellen. Voor meer informatie, zie: 'Ondersteuning warmtebedrijf bij opstellen uitgewerkt kavelplan'.

Indienen uitgewerkt kavelplan

Het moment van indienen is een belangrijk beslismoment: het warmtebedrijf committeert zich aan een concretere uitwerking van de collectieve warmtevoorziening en legt vast hoe de ontwikkeling en de benodigde investeringen zich verhouden tot de lange termijn opgave in de warmtekavel. Na indienen besluit de gemeente hier over binnen 8 weken.

Bij inzetten aanwijsbevoegdheid door gemeente: inventarisatie opt-out voor particulieren

Bij de inventarisatie opt-out brengt het warmtebedrijf in kaart welke beoogde afnemers níet aangesloten willen worden op de collectieve warmtevoorziening, binnen het gebied waarvoor het uitgewerkte kavelplan is vastgesteld. Dit doet zij door het daadwerkelijke aanbod uit te brengen aan de beoogde afnemers in het gebied.

Beoogde afnemers die niet aangesloten willen worden, kunnen gebruik maken van de opt-outregeling als zij kunnen aantonen dat zij met een alternatieve duurzame oplossing de woning aardgasvrij hebben gemaakt. Als een beoogde afnemer niet reageert op het aanbod, aanvaardt deze het aanbod stilzwijgend.

*Het warmtebedrijf voert de 'inventarisatie opt-out' verplicht uit nadat de gemeente het uitgewerkt kavelplan heeft vastgesteld én de aanwijsbevoegdheid heeft ingezet.

Voorbereiding van en nemen van final investment decision (FID)

Een final investment decision (FID) is het formele investeringsbesluit van het warmtebedrijf om een (deel van het) collectief warmtesysteemproject daadwerkelijk te realiseren. Met de FID committeert de samenwerking zich aan de investering en markeert het de overgang van planvorming naar uitvoering. In sommige gevallen wordt er eerst een conditioneel investeringsbesluit genomen. Daarmee spreekt het warmtebedrijf uit dat het, zodra aan een set resterende condities is voldaan zoals subsidies of het ophalen van voldoende commitment van bewoners, overgaat tot een definitieve FID. De kern is dat de stap eindigt met een definitieve investeringsbeslissing die voldoende zekerheden biedt voor het warmtebedrijf om te starten met het doen van forse investeringen voor de realisatiefase.

Wat gebeurt er tijdens deze stap? 
De voorbereiding van en het nemen van FID is een langlopend proces waarin het warmtebedrijf de uitwerking uit het uitgewerkt kavelplan vertaalt naar concrete zekerheden: contracten met gebouweigenaren en afnemers, afspraken over bronbeschikbaarheid, aanvragen voor financiering en subsidies, het organiseren van netaansluiting en transportcapaciteit en het voorbereiden en indienen van vergunningen. Parallel hieraan wordt de aanbesteding voor de bouwteamfase en realisatiefase voorbereid.

Wat moet er geregeld zijn om FID te nemen?
Om FID te kunnen nemen moet in ieder geval geregeld zijn:

- Het uitgewerkte kavelplan is vastgesteld door de gemeente. Zie: 'Opstellen uitgewerkt kavelplan' en 'Vaststellen uitgewerkt kavelplan'.
- Financiering is aangevraagd en vraagt alleen nog laatste handelingen om tot financial close te komen.
- Aanvragen netaansluiting en transportcapaciteit zijn ingediend en toegekend.
- Subsidieaanvragen (WIS, SDE, etc.) zijn ingediend en toegekend.
- Aansluitovereenkomsten zijn getekend tussen het warmtebedrijf en een voldoende massa van gebouweigenaren. In deze overeenkomsten worden onder meer vastgelegd: aansluitplanning en fasering, eigendom van de aansluiting (leidingen, afleverset e.d.), afspraken over kosten voor aanleg, onderhoud en verwijdering en wie deze betaalt, en bepalingen over toegankelijkheid en veiligheid.
- Leveringsovereenkomsten zijn getekend tussen het warmtebedrijf en een voldoende massa van afnemers. Deze overeenkomsten bevatten onder meer: de vaste kosten en variabele kosten per GJ, kwaliteitseisen en de rechten van de afnemer (zoals compensatie bij storingen).
- Als de beoogde bron niet in eigendom is van het warmtebedrijf, moet hiervoor een warmteleveringsovereenkomst gesloten worden.
- Noodzakelijke vergunningsaanvragen zijn ingediend en toegekend.
- De aanbestedingsprocedure is voorbereid en uitgewerkt tot bestekniveau – of als functionele uitvraag. In vrijwel alle gevallen is dit een Europese aanbesteding. De FID die aan het eind van deze fase is genomen, wordt enkel genomen onder voorwaarde dat de aanbestedingsprocedure past binnen de businesscase.
- Indien van toepassing wordt bij het nemen van de FID ook rekening gehouden met het
raadsbesluit voor het verstrekken van financiering of garantstelling van de gemeente.

Wie doet wat? 
Het warmtebedrijf neemt de FID en is verantwoordelijk voor het bijeenbrengen van de onderbouwing en zekerheden. Na het nemen van FID stelt het warmtebedrijf een projectmanager aan die verantwoordelijk is voor de realisatie van het project en projectbeheersing. Gebouweigenaren en afnemers leveren zekerheid aan de vraagkant door het tekenen van aansluiten leveringsovereenkomsten, inclusief de daarin vastgelegde randvoorwaarden en verplichtingen. De gemeente kan betrokken zijn als financier of garantsteller. In dat geval is (afhankelijk van de situatie) een raadsbesluit nodig om die financiële betrokkenheid te borgen. Daarnaast faciliteert de gemeente waar nodig in de voorbereiding richting realisatie, bijvoorbeeld via afstemming over randvoorwaarden en het vergunningenproces. De uitvoerende partij kan in de voorbereiding van de aanbesteding bijdragen aan de uitwerking tot bestekniveau, afhankelijk van de gekozen aanpak voor contracteren.

Uitwerken definitief ontwerp

Na het nemen van de FID heeft het warmtebedrijf zekerheid en alle informatie rond de realisatie van het warmtenet. Daarmee kan het definitief ontwerp gemaakt worden. Dit ontwerp vormt de basis voor de planning en realisatie van het warmtenet. Zie ook 'Opstellen projectplan uitvoeringsontwerp'.

Investeringsplan opstellen

Een investeringsplan is het periodieke plan van het aangewezen warmtebedrijf waarin het vastlegt welke investeringen noodzakelijk zijn voor de aanleg, uitbreiding of vervanging van de collectieve warmtevoorziening binnen een warmtekavel waarvoor het is aangewezen. Het investeringsplan is bedoeld als onderbouwde doorkijk: het warmtebedrijf beschrijft welke investeringen worden voorzien, waarom die nodig zijn voor de uitvoering van de wettelijke taken en hoe deze Intern investeringen passen binnen een langetermijnvisie op de warmtevoorziening in de kavel. Het investeringsplan is niet direct gekoppeld aan één project, maar aan de optelsom van alle projecten binnen de vastgestelde kavel.

Wat moet er in een investeringsplan staan? 
Het investeringsplan is een gedetailleerde beschrijving van de voorgenomen investeringen en geeft een doorkijk naar de komende 10-15 jaar voor het borgen van leveringszekerheid en het behalen van uitstootnormen. Op grond van artikel 2.17 van de Wet collectieve warmte bevat een investeringsplan in ieder geval:

- Een beschrijving en onderbouwing van de voorgenomen investeringen in aanleg, uitbreiding of vervanging van de collectieve warmtevoorziening die het warmtebedrijf noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taken.
- Een beschrijving van de wijze waarop de voorgenomen investeringen passen binnen een langetermijnvisie op de collectieve warmtevoorziening in de warmtekavel.
- Een beschrijving van de gevolgen van de investeringen voor het bereiken van de broeikas uitstoot normen (Wcw artikel 2.21).
- Een beschrijving van de wijze waarop de leveringszekerheid wordt gegarandeerd.

Wie doet wat bij het opstellen van een investeringsplan? 
Het warmtebedrijf legt een ontwerp-investeringsplan ter toetsing voor aan de ACM en stuurt dit ook aan het college van de gemeente die de aanwijzing heeft verleend. Het investeringsplan moet door de ACM getoetst worden. Het college kan zienswijze op het investeringsplan indienen bij de ACM. Deze zienswijze moeten dan door de ACM worden meegenomen bij het toetsen van het investeringsplan.

Aanbesteding gunnen

Het gunnen van de aanbesteding is de stap waarin het warmtebedrijf, op basis van de doorlopen aanbestedingsprocedure, de opdracht voor de realisatie van het collectief warmtesysteem op (een deel van) de warmtekavel definitief toekent aan één of meer uitvoerende partijen. Afhankelijk van het project betreft dit één contract of meerdere contracten. De gemeente heeft hier doorgaans geen rol.

Opstellen projectplan uitvoeringsontwerp

Een projectplan op uitvoeringsontwerp (UO)-niveau is het plan waarin de voorbereiding op de realisatie van het collectief warmtesysteem wordt uitgewerkt tot een niveau waarop uitvoering kan starten. In deze stap verschuift de focus van planvorming naar uitvoering: het projectplan op definitief ontwerp-niveau wordt verdiept en vertaald naar een uitvoerbaar plan, inclusief een uitvoeringsontwerp met technische detaillering en een gedetailleerde uitvoeringsplanning. Het projectplan is in de eerste plaats bedoeld voor het warmtebedrijf en de uitvoerende partij. In sommige projecten voert het warmtebedrijf zelf uit; in andere projecten is een aannemer of uitvoeringspartij verantwoordelijk voor (delen van) de uitwerking. Het projectplan UO maakt onderdeel uit van een rijdende trein: vaststelling gebeurt gaandeweg en voorafgaand aan steeds een nieuwe fase in de realisatie van het project.

Wat moet er in een projectplan UO staan? 
De exacte inhoud van een projectplan UO verschilt per project, maar bevat doorgaans een samenhangende uitwerking van in elk geval de volgende onderdelen:

Scope en uitgangspunten:
- Uitvoeringsontwerp (UO): o.a. technische detaillering van tracé, leidingdiameters, appendages, stations en aansluitingen, detaillering van raakvlakken en inpassing (kruisingen, bestaande kabels en leidingen, obstakels, maatvoering), oplossingen voor obstakels en kunstwerken.
- Fasering van de uitvoering & uitvoeringsplanning
- Omgevingsmanagement en communicatie: aanbod voor bewoners- en stakeholdercommunicatie tijdens uitvoering (kanalen, momenten, boodschappen), communicatie wegafsluitingen en eventuele wegsleepregeling.
- Projectorganisatie en sturing
- Financiën en beheersing
- Risico, veiligheid en kwaliteit
- Inkoop en materiaal
- Overdracht naar beheer/onderhoud.

Wie doet wat in het opstellen van het projectplan UO? 
Het warmtebedrijf heeft in de regel een coördinerende rol bij het opstellen van het projectplan UO, tenzij deze rol (deels) is belegd bij de uitvoerende partij. Na gunning werkt de uitvoerende partij het uitvoeringsontwerp en de uitvoeringsplanning doorgaans uit, inclusief de inkoop van materialen. Als het warmtebedrijf zelf uitvoert, ligt deze uitwerking bij het warmtebedrijf. De gemeente stemt met het warmtebedrijf en de uitvoerende partij af over onderwerpen die raken aan de openbare ruimte en de omgeving, zoals vergunningen, bereikbaarheid, veiligheid en bewoner communicatie. Het projectplan UO komt daarmee tot stand in nauwe afstemming tussen warmtebedrijf, uitvoerende partij en gemeente, zodat het plan uitvoerbaar is en aansluit op lokale randvoorwaarden.

Start realisatie

De start van de realisatie is het moment waarop de fysieke werkzaamheden aan het collectief warmtesysteem beginnen. Hiervoor zijn de volgende punten geregeld:

- Financial close is bereikt voor het collectief warmtesysteem project. De subsidieaanvragen zijn toegekend.
o De financieringsaanvragen zijn toegekend.
o De aanbesteding is gegund. Zie: 'Aanbesteding gunnen'
- Het projectplan UO is opgesteld. Zie: 'Opstellen projectplan UO'.
- Het warmtebedrijf heeft vergunningaanvragen ingediend welke zijn getoetst en verleend door de gemeente.
- Het warmtebedrijf heeft een projectmanager aangesteld die verantwoordelijk is voor het realiseren van het project en de projectbeheersing ervan.

Realisatie warmtenet

Dit is de uitvoeringsfase waarin het warmtesysteem daadwerkelijk wordt gebouwd. In deze periode worden werkzaamheden buiten uitgevoerd, installaties geplaatst en getest en wordt het systeem stap voor stap gereedgemaakt voor levering. De gemeente is tijdens de realisatie vooral betrokken vanuit haar rol in de openbare ruimte, onder meer via vergunningen, toezicht en afstemming over bereikbaarheid en omgevingscommunicatie.

Exploitatieplan opstellen

Het exploitatieplan is het interne plan van het warmtebedrijf waarin wordt uitgewerkt hoe het collectief warmtesysteem na oplevering operationeel wordt beheerd en geëxploiteerd. Het plan beschrijft de inrichting van het dagelijkse proces rondom warmtelevering, beheer en onderhoud, storingsafhandeling, klantcontact en facturatie. Het exploitatieplan wordt opgesteld vóór of tijdens de realisatiefase, zodat de organisatie, processen en middelen tijdig zijn ingericht voor een beheerste start van de levering. Veel input voor het exploitatieplan is al beschikbaar uit eerdere stappen, zoals het uitgewerkt kavelplan, de leverings- en aansluitovereenkomsten en de afspraken uit realisatie en contractering. Het exploitatieplan vertaalt deze uitgangspunten naar een praktische werkwijze voor de exploitatiefase.

Wat staat er in een exploitatieplan?
Een exploitatieplan bevat doorgaans in ieder geval:
- Een beschrijving van het operationeel proces voor warmtelevering en netwerkbeheer (rollen, taken, systemen en werkwijze).
- De inrichting van beheer en onderhoud, inclusief onderhoudsstrategie, preventief/correctief onderhoud en beheer van assets (zoals leidingen, pompen, warmtewisselaars en afleversets).
- De aanpak voor storingen en incidenten (meldproces, responstijden, escalatie, communicatie en herstelaanpak).
- De borging van kwaliteit en veiligheid, inclusief monitoring en interne controles.
- De inrichting van klantenservice, facturatie, en klachtenafhandeling.
- De wijze van monitoring en rapportage (prestatie-indicatoren, dataverzameling en rapportagelijnen, onder meer richting ACM waar van toepassing).
- De vertaling van toepasselijke servicelevel agreements (SLA’s) naar concrete processen en werkinstructies.
- De organisatie-inrichting voor exploitatie (bezetting, 24/7‑organisatie waar nodig, inzet van aannemers/onderhoudspartijen, bereikbaarheid en consignatie).

Wie doet wat bij het opstellen van het exploitatieplan?
Het warmtebedrijf stelt het exploitatieplan op en organiseert daarbij de afstemming tussen realisatie en operatie. In de praktijk worden operationele disciplines (beheer, onderhoud, klantenservice, facturatie en storingsorganisatie) vroegtijdig betrokken, zodat processen, systemen en bezetting aansluiten op de technische oplevering en de contractuele afspraken. Het exploitatieplan wordt bij voorkeur afgerond bij oplevering van het collectief warmtesysteem, en uiterlijk vóór de start van levering.

In bedrijfstelling warmtenet

De in bedrijfstelling is de processtap direct na afronding van de realisatie waarin het collectief warmtesysteem wordt opgestart en gereedgemaakt voor levering. Dit is ook het moment waarop de uitvoerende partij het gerealiseerde collectief warmtesysteem oplevert en overdraagt aan het warmtebedrijf. Dat betekent dat de aansluitingen bij afnemers zijn gerealiseerd en getest, het transport-, primair- en distributienet zijn aangelegd en getest, warmteoverdrachtsstations zijn gerealiseerd en getest, de uitkoppeling van de bron functioneert en de piek- en back‑upinstallaties beschikbaar zijn.

Start levering

De start levering is de mijlpaal waarop het warmtebedrijf de warmtelevering aan afnemers daadwerkelijk in gebruik neemt. Hiermee gaat het project over van realisatie en inbedrijfstelling naar de exploitatiefase: het collectief warmtesysteem draait operationeel en het warmtebedrijf levert warmte. In de realiteit wordt het collectief warmtesysteem gefaseerd gerealiseerd, Intern opgeleverd en in gebruik genomen, wat betekent dat deze fases in elkaar overlopen en elkaar opvolgen.

Investeringsplan bijwerken

Gedurende de exploitatiefase werkt het warmtebedrijf het investeringsplan regulier bij, als onderdeel van haar wettelijke verplichtingen. Hoe groter het deel collectief warmtesysteem gerealiseerd is door het warmtebedrijf, hoe meer het investeringsplan het karakter krijgt van een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) voor de langetermijnsturing op onderhoud, vervanging en uitbreiding van het collectief warmtesysteem. Voor meer informatie over het investeringsplan, zie: 'Opstellen investeringsplan'.

Dit bijgewerkte investeringsplan wordt vervolgens weer getoetst door de ACM en de gemeente kan zienswijze indienen.

Exploitatieplan uitvoeren

Het warmtebedrijf voert de kernactiviteiten van het exploiteren van het collectief warmtesysteem uit, waaronder:

- Warmtelevering en netwerkbeheer
- Onderhoud & reparaties
- Klantenservice & klachtafhandeling
- Facturatie
- Kwaliteit & veiligheid
- Bijstelling van tarieven
- Rapportage en verantwoording richting gemeente/ACM

Het warmtebedrijf houdt contact met de gemeente over het naleven van de afspraken die gemaakt zijn in het uitgewerkte kavelplan.

Over het stappenplan

Waarvoor is dit stappenplan?

Dit stappenplan is primair gericht op:

  • de ontwikkeling van nog te ontwikkelen warmtenetten met meer dan 1.500 aansluitingen waarop de kavelsystematiek van toepassing is.
  • (publieke) warmtebedrijven. Daarmee bedoelen we warmtebedrijven die voldoen aan de kaders van de Wcw, publieke warmtebedrijven en warmtegemeenschappen. Dit stappenplan maakt geen onderscheid tussen organisatiemodellen en veronderstelt dat deze keuzes al zijn gemaakt. 
  • het doorlopen van het volledige traject van de kavelsystematiek zoals bedoeld in de Wcw als een opzichzelfstaand traject. In de praktijk zijn er meerdere varianten en spelen er meerdere facetten mee. Zoals een participatietraject of de koppeling met andere opgaven. Dat kan ervoor zorgen dat bepaalde stappen niet of in een andere volgorde worden doorlopen.
Disclaimers
  • Het stappenplan is opgesteld op basis van de wetsvoorstellen Wet Collectieve Warmte (Wcw), het Besluit Collectieve Warmte (Bcw) en de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (Wgiw). Regelgeving is continu in ontwikkeling, raadpleeg daarom altijd de meest recente versie.
  • Het stappenplan doet een aanzet om de belangrijkste elementen te beschrijven. Het kan waarschijnlijk ook anders, dus er is ruimte voor eigen invulling.