Toegankelijkheidslinks Ga naar de hoofdinhoud
NPLW Logo. Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
Helpdesk

Organisatiemodellen warmtebedrijf

Om een warmtenet aan te leggen, warmte te produceren en gebouwen te verwarmen, is een warmtebedrijf nodig. De Wet collectieve warmte (Wcw) bepaalt hoe je zo’n warmtebedrijf kunt organiseren. Wil je als gemeente een warmtebedrijf opzetten? Dan kun je kiezen uit 7 organisatiemodellen.

Video: Opzetten en verder brengen van een warmtebedrijf

Accepteer alle cookies om deze video te bekijken.
Klik hier om je instellingen aan te passen

Model 1: een 100% publiek warmtebedrijf met 1 gemeente als enig aandeelhouder

Bij een 100% gemeentelijk warmtebedrijf is de gemeente zelf helemaal verantwoordelijk voor de bron, distributie en levering van collectieve warmte. Je kunt direct sturen op publieke doelen zoals lage tarieven voor bewoners of een versnelde uitrol van het netwerk. Je bepaalt zelf wie in het bestuur zitten en welke investeringen er worden gedaan. Daar staat tegenover dat je als gemeente alle risico’s draagt, zowel financieel als operationeel. Warmtenetten vragen om enorme investeringen vooraf, terwijl de inkomsten pas tientallen jaren later binnenkomen. Als de kosten voor de aanleg hoger uitvallen of als minder bewoners zich aansluiten dan verwacht, moet je dit verlies zelf opvangen.

Voorbeelden:

Model 2: een 100% publiek warmtebedrijf met meerdere publieke aandeelhouders

Je kunt een publiek warmtebedrijf ook vormgeven in samenwerking met andere publieke partijen. In dit geval een 100% publiek warmtebedrijf waarin meerdere aandeelhouders actief zijn (minstens 2). Dit kunnen bijvoorbeeld gemeenten of provincies zijn. Samenwerking biedt schaalvoordelen. Je kunt gezamenlijk kennis en capaciteit inkopen, wat de kosten per gemeente verlaagt. Ook de financiële risico's worden gedeeld. Een nadeel is dat de besluitvorming complexer wordt.

Voorbeelden: 

Model 3: een warmtebedrijf met 1 of meer publieke aandeelhouders en de NDW en/of een netwerkbedrijf

In dit model is een belangrijke rol weggelegd voor de Nationale Deelneming Warmte (NDW), die wordt beheerd door Energie Beheer Nederland (EBN). Het doel van de NDW is om de warmtetransitie te versnellen door kapitaal en kennis in te brengen. De NDW kan tot 40% van de aandelen in een regionaal publiek warmtebedrijf houden. Dit helpt gemeenten die zelf onvoldoende financiële ruimte hebben om de benodigde investeringen te doen. Naast de NDW kunnen ook netwerkbedrijven deelnemen. Zij hebben veel ervaring met het beheren van energie-infrastructuur en kunnen helpen bij de integratie van het warmtenet in het bredere energiesysteem. 

Model 4: een publiek-privaat warmtebedrijf met een publieke meerderheidsaandeelhouder en een private minderheidsaandeelhouder

De Wcw maakt het mogelijk om een warmtebedrijf op te richten met een private partner. De publieke partij moet dan wel meer dan 50% van de zeggenschap en de aandelen hebben. Private partijen hebben vaak veel ervaring met de exploitatie van warmtenetten en beschikken over de nodige systemen voor facturering en klantenservice. Door hen als minderheidsaandeelhouder te betrekken, kun je profiteren van hun expertise en kapitaal. De gemeente behoudt de regie en zorgt dat tarieven betaalbaar blijven, terwijl de private partner streeft naar een gezond rendement. Dit verschil in belangen kan ook leiden tot conflicten. Bij het organiseren van een publiek-privaat warmtebedrijf moet je daarom letten op een duidelijke taak- en rolverdeling en een goed functionerende Raad van Commissarissen. 

Voorbeelden: 

Model 5: een warmtebedrijf met 1 of meer publieke aandeelhouders en een warmtegemeenschap als aandeelhouder

Hierbij werk je als gemeente samen met een warmtegemeenschap. Een warmtegemeenschap is vaak georganiseerd als een energiecoöperatie van bewoners. Wanneer bewoners mede-eigenaar zijn via een coöperatie, voelen zij zich meer verantwoordelijk voor het succes van het warmtenet. Dit leidt tot meer vertrouwen en een grotere bereidheid om over te stappen. Bovendien beschikt de coöperatie over kennis van de wijk die van grote waarde kan zijn bij de uitrol van het netwerk. Daar staat tegenover dat bewonersgroepen vaak beperkte financiële middelen hebben. En ze hebben ondersteuning nodig bij technische en juridische vraagstukken.

Model 6: een warmte joint venture

Dit model is een samenwerking tussen een publiek warmtenetbedrijf en een warmteleveringsbedrijf, waarbij de taken worden verdeeld. Het warmtenetbedrijf regelt de infrastructuur, het warmteleveringsbedrijf verzorgt de inkoop en levering van warmte. Bij deze aanpak geldt de strikte regel dat het warmtenetbedrijf meer dan 50% van de aandelen of de doorslaggevende zeggenschap moet hebben in de joint venture. Het grote voordeel van dit model is dat het de transitie kan versnellen door de risico's van de infrastructuur apart te behandelen. Als gemeente moet je je wel realiseren dat de risico's voor het warmtenetbedrijf significant kunnen zijn. Omdat jij (samen met andere overheden) de meerderheid hebt in dat netbedrijf, ben je verantwoordelijk voor de financiële stabiliteit ervan.

Model 7: een warmtegemeenschap waarbij eindgebruikers zelf eigenaar zijn van het warmtenet

In dit model zijn de eindgebruikers, zoals bewoners en lokale ondernemers, zelf de eigenaar van het warmtenet. Zij zijn doorgaans verenigd in een energiecoöperatie die alle aandelen heeft in het warmtebedrijf. De eindgebruikers nemen actief deel aan de besluitvorming, bijvoorbeeld via een algemene ledenvergadering en een gekozen bestuur. Dit model biedt veel inspraak en zeggenschap vanuit de gemeenschap en sluit aan bij de wens om lokale eindgebruikers meer eigenaarschap te geven in de energietransitie. Deze betrokkenheid kan bewoners overtuigen om over te stappen op het warmtenet. Net als bij model 5 moet je wel rekening houden met een gebrek aan kennis en financiële middelen bij de gemeenschap. Als gemeente moet je bereid zijn om kennis, middelen en bevoegdheden te delen. Daarnaast kan de besluitvorming complex zijn. 

Voorbeelden

Meer informatie