"We moeten echt inzetten op een versnelling van de aanleg van warmtenetten”

05-06-2024

Warmtenetten halen geregeld de media. We spraken met Jan van Beuningen (BZK) en Reinier Koppelaar (EZK) ove rhoe nu verder in wijken waar een warmtenet de meest logische manier van verduurzamen lijkt.

Warmtenetten halen geregeld de media met vragen over de betaalbaarheid voor bewoners. Ook werd in meerdere gemeenten de aanleg ervan tijdelijk stopgezet. Een lastige situatie voor gemeenten: hoe kunnen zij nu verder in de wijken waar een warmtenet de meest logische manier van verduurzamen lijkt? We spraken erover met Jan van Beuningen, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Reinier Koppelaar van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK).

Aanleg warmtenet - foto Kick Smeets
Foto: Kick Smeets

Jan en Reinier werken veel samen. Ze werken samen vanuit het Programma Versnelling verduurzaming Verbouwde Omgeving (PVGO) dat tot doel heeft voor 2030 de CO2-uitstoot terug te brengen door 2,5 miljoen gebouwen te isoleren, 1 miljoen hybride warmtepompen te plaatsen en 500.000 warmteaansluitingen te realiseren. Het einddoel is dat in 2050 alle woningen en gebouwen aardgasvrij zijn. Daarbij richt Jan zich meer op de verduurzaming van de woningen en gebouwen en Reinier op het energiesysteem dat nodig is voor die verduurzaming.  

Hoe gaat het met de verduurzaming van de gebouwde omgeving?

Jan van Beuningen: “Allereerst kunnen we vaststellen dat we de afgelopen jaren in Nederland flink minder gas zijn gaan gebruiken om onze huizen te verwarmen. Dat komt door betere isolatie van woningen en we besparen door de thermostaat lager te zetten en korter te douchen. Ook de aanschaf van zonnepanelen en warmtepompen is explosief gestegen. De transitie is echt in volle gang. Daardoor liggen we goed op koers om onze CO2-uitstoot te reduceren naar minder dan 13,2 megaton in 2030.

Jan van Beuningen
Jan van Beuningen is waarnemend directeur Bouwen en Energie bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Tegelijkertijd zien we dat we niet op schema liggen om voldoende aansluitingen op warmtenetten te realiseren. Dat is wel zorgelijk, want warmtenetten zijn nodig om de doelstelling emissievrij in 2050 te kunnen halen. We moeten echt inzetten op een versnelling van de aanleg van die warmtenetten.”

Reinier Koppelaar vult aan: ‘’Onze focus als ministeries is om alle zeilen bij te zetten om gemeenten te helpen rendabele businesscases te krijgen. Alleen zo kunnen we tussen 2030 en 2040 de stap zetten om warmtenetten voor elkaar te krijgen. Zoals afgelopen tijd naar voren kwam in de media, zitten warmtenetten in een uitdagende fase. Het is een soort overgangssituatie, waarbij gemeentes aan de ene kant wachten op wetgeving die nodig is voor hun regierol en bevoegdheden. En aan de andere kant zijn de bewoners ongerust en uiten ze hun zorgen over de betaalbaarheid. Daarom werken we hard aan aanvullend beleid op het gebied van financiering voor bronnen, netten en inpandige aanpassingen, zodat de kosten van warmte naar beneden kunnen.

Wat we op dit moment nodig hebben om alles draaiende te houden, is een afgerond bouwwerk van wet- en regelgeving met bijbehorende financiële instrumenten. Waarbij  gemeenten ondertussen het voorbereidend werk oppakken en onderzoeken welke buurten, wijken of dorpskernen komende 10 jaar aardgasvrij worden en of warmtenetten daarin de beste duurzame optie lijken. Dit kan vervolgens worden vastgelegd in een warmteprogramma. Hierdoor weten bewoners en de investerende partijen waar ze aan toe zijn. Dat geeft duidelijkheid en kunnen spijtvrije maatregelen worden uitgevoerd.”

Waarom moeten gemeenten eigenlijk kiezen voor warmtenetten?

Jan: “Als er sprake is van relatief dichte bebouwing en als er een goede warmtebron voorhanden is, is een warmtenet vaak echt de beste oplossing om van het aardgas af te stappen. Het voordeel is dat warmtenetten dan de laagste, maatschappelijke kosten hebben ten opzichte van alternatieven. Bovendien is warmte betrouwbaar qua leveringszekerheid van energie. Gasprijzen worden in de toekomst bovendien onzekerder en vaak duurder door verschillende factoren, zoals geopolitieke ontwikkelingen en door Europese beprijzing van fossiele bronnen zoals aardgas. Warmtenetten kennen deze onzekerheid veel minder, maar zijn desondanks nog minder in trek.”

“Warmtenetten zijn vaak maatschappelijk de goedkoopste oplossing, alleen voelen bewoners dat nu niet direct zelf in hun portemonnee." 

Reinier: “Een populair alternatief is bijvoorbeeld de installatie van een elektrische warmtepomp bij bestaande woningen. Het voordeel van die investering komt gelijk terecht bij de individuele bewoner, de gebruikerskosten zijn relatief laag. Maar om al die warmtepompen te laten werken, moet er meer duurzame stroom komen en moeten de elektriciteitsnetten worden uitgebreid. Dat betalen we ook met z’n allen. Een deel van die kosten kan je vermijden. Wanneer je op tijd weet en communiceert waar er een warmtenet komt en wie  hierop kunnen aansluiten, kun je onnodige kosten voorkomen. En daarmee dalen de totale kosten van de energietransitie. Voor iedereen een win-winsituatie.’’

Jan: “De belangrijkste vraag op dit moment is vooral: hoe zorgen we ervoor dat warmtenetten niet alleen voor het maatschappelijk belang de beste oplossing zijn. Maar ook voor bewoners de beste keuze zijn om in de toekomst een lage energierekening te houden?”

Dat is een goede vraag. Hoe zorgen we ervoor dat warmtenetten de laagste energierekening voor de eindgebruiker opleveren?

Jan: “Warmtenetten zijn vaak maatschappelijk de goedkoopste oplossing, alleen voelen bewoners dat nu niet direct zelf in hun portemonnee. Dat komt onder meer omdat de gas- en warmteprijs nog gekoppeld zijn. In het begin van de energiecrisis was dat fijn. Toen de gasprijs hard steeg, hadden de mensen voordeel van hun warmtenet. Maar nu de gasprijs weer daalt, duurt het ongeveer een jaar voordat die warmteprijs ook gedaald is. Dat duurt natuurlijk veel te lang. De koppeling tussen de gas- en warmteprijs is echt achterhaald en moet aangepast worden.

Ten tweede is de situatie zo dat we het gasnet in stand moeten houden als in een hele wijk een paar huizen niet meegaan op een warmtenet. De kosten van het gasnet blijven in dat geval hoog en de rentabiliteit van het warmtenet gaat omlaag, omdat de kosten daarvan over minder aangesloten woningen kunnen worden verdeeld. Bovendien wordt een warmtenet bij minder aansluitingen minder rendabel. Dat samen zijn echt hoge maatschappelijke kosten. Eigenlijk wil je daarom dat zoveel mogelijk mensen aansluiten op een warmtenet. Daarvoor hebben we nu de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) ingericht. Met deze wet krijgen gemeenten de bevoegdheid gebieden aan te wijzen die voor een bepaalde datum overgaan op een duurzaam alternatief voor aardgas en kunnen zij het gasnet na deze datum afsluiten.‘’

Reinier Koppelaar
Reinier Koppelaar is plaatsvervangend directeur Energiemarkt bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Reinier: “Ruimer subsidiëren. Dat heet eigenlijk socialiseren. Socialiseer de kosten van een warmtenet op zo’n manier dat het aanbod voor de bewoner aantrekkelijk wordt. Veel wat we nu in gang hebben gezet qua ondersteuning draagt daaraan bij. Een derde oplossing is daarom het deels dekken van de aanlegkosten van een warmtenet. Voor deze zogeheten onrendabele top is een miljard euro extra via de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) beschikbaar gesteld.

Daarnaast, als vierde, kunnen bewoners de investeringen die zij zelf in hun huis moeten doen, de zogenoemde inpandige kosten en aansluitkosten, vergoed krijgen met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE). Ten slotte is er specifiek voor de ontwikkeling van de bron voor het warmtenet ook subsidie beschikbaar als onderdeel van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++).

Hiermee zijn een aantal belangrijke financiële randvoorwaarden ingericht en we verkennen op verzoek van de Kamer of er nog meer nodig is om de betaalbaarheid te borgen. Het uitgangspunt is daarbij dat in wijken waar een warmtenet maatschappelijk gezien de goedkoopste oplossing is, de eindgebruiker dit ook terugziet in zijn energierekening. Het is nu belangrijk dat alle betrokken partijen met elkaar een manier vinden om deze beschikbare instrumenten op de juiste manier in te zetten. Waarbij wij er met elkaar voor moeten zorgen dat de financiën op de juiste plekken terechtkomen.”

Warmtenetten hebben momenteel nog niet het beste imago. We lezen vooral berichten in de krant over plekken waar warmtenetten mislukken. Wat willen jullie daaraan doen?

Jan: ”Voor de acceptatie van warmtenetten door bewoners is het cruciaal dat ook de positieve voorbeelden het nieuws halen. Door een goede balans tussen enerzijds leren van dat wat beter kan en anderzijds laten zien waar het goed gaat, kunnen we stappen zetten om warmtenetten goed van de grond te laten komen. Vanuit het voormalige Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) hebben we veel geleerd van de eerste businesscases, namelijk hoe belangrijk goede randvoorwaarden zijn. We zijn daarom heel bewust al vroeg begonnen met de voorbereidingen van nieuwe pilots om dit goed geregeld te krijgen. Dit hebben we ook afgesproken in het Klimaatakkoord.’

Gemeenten, corporaties en warmtebedrijven zagen ondanks de ontbrekende randvoorwaarden afgelopen jaren toch kans om van start te gaan. Dat bleek uit de hoeveelheid pilots vanuit het PAW. De verwachting hierbij was wel dat de wetgeving op tijd zou bijtrekken qua tijdspad. Uiteindelijk heeft dat langer geduurd dan gehoopt, waarbij de kostenstijging van materiaal en arbeid afgelopen jaren groot was.”

"Gemeenten weten het beste wat er bij hen lokaal speelt in de wijken."

Reinier: “De energietransitie zit zichzelf soms ook een beetje in de weg. Doordat mensen meer zijn gaan besparen en isoleren, is het verbruik lager, waardoor de businesscases minder interessant werden. En dankzij de zachte winters is er de afgelopen jaren minder gestookt. Deze ontwikkelingen drukken de omzet van een warmtebedrijf zoals Vattenfall in Amsterdam, omdat het verbruik daar was afgenomen met 20%. Tegelijkertijd onderstreept dit juist de klimaatverandering en dus de noodzaak voor een energie- en warmtetransitie: we stoken minder omdat de temperatuur gemiddeld hoger ligt. Inmiddels zijn we bijna zover dat de randvoorwaarden voor warmtenetten er allemaal liggen. De uitdaging is nu om hier breder gebruik van te maken. En vooral te leren van de zaken die niet goed gingen bij de pilots van de aardgasvrije wijken en andere koploperprojecten. Gelukkig zijn er ook een aantal positieve voorbeelden van plekken waar de aanleg van een warmtenet succesvol is zoals in Delft, Almere en Deventer.”

In de Wgiw wordt gesproken over een regierol voor gemeenten. Hoe ziet die rol er volgens jullie uit?

Reinier: “De energie- en warmtetransitie bestaat eigenlijk uit 2 grote sporen: het individuele spoor, waarbij huiseigenaren zelf actie ondernemen om te verduurzamen, en het collectieve spoor. De gemeente is de ideale partij om de verduurzaming collectief te organiseren voor bewoners waar dat meerwaarde biedt. Vanuit de ministeries is de ondersteuning zo goed als geregeld: via juridische instrumenten, financiële voorwaarden en ondersteuning voor gemeenten via het NPLW. Waarbij gemeenten het beste weten wat er bij hen lokaal speelt in de wijken. En wat de samenstelling en opgaven hier zijn. Daarom zijn zij de juiste regisseur om dit proces te trekken. Belangrijk hierbij is dat het collectieve spoor alleen kan slagen als de sociale kant en de veiligheid samen opgaan. Hierbij kent de gemeente het beste de interactie met de andere maatschappelijke opgaven en kan daar gericht op sturen en plannen. Dan hoeft bij wijze van spreken de straat niet 3 keer open om te regelen dat de juiste voorzieningen komen in de wijk. Deze regierol betekent voor gemeenten dat zij het voortouw nemen met het opstellen van een warmteprogramma. En vervolgens een uitvoeringsplan opstellen en het omgevingsplan wijzigen. Zij kunnen kavels vaststellen en warmtebedrijven aanwijzen.’’

Volgens Jan betekent de regierol van een gemeente ook dat zij duidelijkheid biedt aan bewoners en andere partijen over de aanpak die voor de komende jaren wordt gekozen. Bijvoorbeeld dat zij een aantal wijken aanwijzen die het meest geschikt zijn voor een all-electric-aanpak. ‘’Hierdoor kan de netbeheerder op die plek alvast beginnen met een goede voorbereiding en het elektriciteitsnet gaan verzwaren. Of de gemeente kiest tijdig een wijk waar binnen 10 jaar een warmtenet komt. Dan is de kans dat mensen zich aansluiten groter, omdat ze weten waar ze aan toe zijn. En het is ook van belang om aan te geven waar voorlopig nog niet aan een collectieve oplossing wordt gedacht: dan is een hybride warmtepomp en isoleren tot de standaard het perspectief. Ook dat geeft duidelijkheid.’’

“In 2023 zijn we het Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie (NPLW) gestart”, vervolgt Jan. “Het NPLW is er juist om gemeenten te ondersteunen in hun rol als regisseur van de warmtetransitie. Door kennis en handelingsperspectief te bieden over onder meer warmtenetten. En door gemeenten met gelijksoortige vragen bij elkaar te brengen, bijvoorbeeld tijdens grote netwerkbijeenkomsten als de impulsdag warmtenet op 12 juni. Maar ook met praktische hulpmiddelen zoals de handreikingen voor het opstellen van een warmteprogramma of uitvoeringsplan. Zo hoeft het wiel niet steeds uitgevonden te worden. En door allemaal dezelfde handreikingen te gebruiken, wordt samenwerking tussen gemeenten onderling en met andere partijen ook makkelijker. Er wordt immers dezelfde taal gesproken.”  

Het zou voor veel gemeenten handig zijn om inzicht te hebben waar in hun wijken bijvoorbeeld al  warmtepompen staan. Inzicht in dat soort data is nu nog beperkt. Zijn daar plannen voor?

Reinier: “Jazeker! Meer inzicht is voor iedereen heel handig, vooral om efficiënt te werken door gegevens te delen met elkaar. En om te signaleren in welke wijken er extra aandacht nodig is. Denk hierbij aan wijken met veel energiearmoede en achterstand bij verduurzaming.’’

Ook Jan geeft aan dat er volop ontwikkelingen zijn om soortgelijke data in beeld te brengen en te ontsluiten. ‘’Het Programma Vivet, Verbetering van de Informatievoorziening voor de Energietransitie, is een goed voorbeeld. Hier zijn ze actief bezig met het verzamelen van data, die ze vervolgens inzichtelijk maken voor iedereen die dit nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan een installatieregister voor bijvoorbeeld warmtepompen.’’ Reinier vult aan: ‘’Een ander idee dat nu wordt onderzocht is het inrichten van een soort digitaal bouwdossier per woning. Dit is gebaseerd op data van Kadaster en CBS. Gemeenten kunnen zoeken op postcode-niveau om informatie op te halen. Digitalisering is hierdoor een onmisbaar instrument om de warmtetransitie te versnellen en te ondersteunen. We gaan hier vanuit het Rijk veel op inzetten. Zodat gemeenten nog een instrument erbij krijgen om de ontwikkeling van warmtenetten voor elkaar te krijgen.”

Meer informatie

 

 

Afbeeldingen

Cookie-instellingen